Zweeds A1–A2
Lessen
1A start, 1B A1.2, 2A A2.1, 2B woorden, 3A thema’s (t/m weer & verkeer).
Module 1A: start
Praktijk oefeningen 1A (korte woorden)
- 1 Alfabet, uitspraak en klinkers Alfabet, uitspraak en klinkers (å, ä, ö).
- 2 Tellen tot 20 Getallen 1 tot 10, daarna 11 tot 20.
- 3 Persoonlijke voornaamwoorden en vara Persoonlijke voornaamwoorden (jag, du, han, hon) en het werkwoord vara (zijn) in de tegenwoordige tijd.
- 4 Cijfers, dagen, maanden en de tijd Cijfers (1–100), dagen van de week, maanden en de tijd leren vertellen.
- 5 Zelfstandige naamwoorden: en/ett en meervoud Zelfstandige naamwoorden: de bepaling (en / ett-woorden) en het meervoud.
- 6 Eenvoudige zinnen en basisvragen Eenvoudige zinnen maken en basisvragen stellen (vem, vad, var, när, varför).
- 7 Familie, huisdieren en beschrijvingen Familjeleden, huisdieren en beschrijvingen van personen (bezittelijke voornaamwoorden zoals min, din).
- 8 Eten, drinken en boodschappen Eten, drinken, boodschappen doen en bestellen in een restaurant.
- 9 Woning, meubels en de weg vragen Woning, meubels en de weg vragen of uitleggen in de stad.
- 10 Hobby's, werk en verleden tijd Hobby's, werk, vrije tijd en werkwoorden in de verleden tijd.
- 11 Alledaagse dialogen Eenvoudige dialogen voeren in alledaagse situaties (reizen, winkelen, doktersbezoek).
- 12 Bijvoeglijke naamwoorden en kleuren groot/klein, kleuren en een paar voorbeelden met en/ett.
- 13 Voorzetsels i, på, till, från, med en korte zinnen.
- 14 Kunnen, willen, moeten kan, vill, måste, ska, får, behöver.
- 15 De dag indelen Van wakker worden tot naar bed gaan.
- 16 Geld en winkelen Duur, goedkoop, kilo, pin of contant.
- 17 Weer en seizoenen Zon, regen, sneeuw en de vier seizoenen.
- 18 Een kort gesprek Hej, fika, tot later.
Module 1B: A1.2
Praktijk oefeningen 1B (langere zinnen, ook 1A erdoorheen)
- 19 Woordvolgorde en ontkenning V2, vraagzin en de plaats van inte.
- 20 Bezittelijk en objectvorm min/mitt/mina, object: mig, dig, honom.
- 21 Lidwoord en bijvoeglijk bepaald en röd bil versus den röda bilen.
- 22 Trappen van vergelijking stor, större, störst; bra, bättre, bäst.
- 23 Getallen, data en de klok 21–100, data, kwart over en halv tre.
- 24 Lichaam, gezondheid en reflexief Pijn, dokter, apotheek, zich wassen.
- 25 Kleding en winkelen Maten, pashokje, mag ik passen?
- 26 Vervoer en reizen Bus, trein, in- en uitstappen.
- 27 Werk en school Beroepen, rooster, pauze.
- 28 Uitnodigen, bellen en beleefdheid du/ni, kan we, misschien.
- 29 Verleden: perfectum har ätit, har sett; Nederlands: heb gegeten.
- 30 Toekomst: ska en kommer att ska, kommer att; gaan / zullen.
- 31 Landen, talen en herkomst Ik kom uit …, nationaliteit, talen.
- 32 Een langere dialoog: naar het station Twaalf beurten, reis en koffie.
- 33 Post, huisregels en beleefdheid Pakket, adres, du/ni, stilte na tienen.
- 34 Weer en wat je aantrekt Regenjas, muts, het gaat sneeuwen.
- 35 Eten, allergie en bestellen Noten, gluten, vegetarisch, zonder saus.
- 36 Herhaling 1A en 1B Kernzinnen uit beide modules.
Module 2A: A2.1
Praktijk oefeningen 2A (A2-zinnen, auto-audio)
- 37 Preteritum en perfectum Igår åt jag versus jag har redan ätit.
- 38 Vertellen wat er gebeurde Vad hände? Preteritum en verhalende volgorde.
- 39 Omdat, maar en daarom eftersom, därför, men, fast, annars.
- 40 Bijzinnen met att Jag tror att …, det är viktigt att …
- 41 Als en wanneer: om och när När jag …, om det …, ifall du …
- 42 Modale werkwoorden in het verleden skulle, kunde, ville, borde.
- 43 Samen plannen en afspreken Ska vi …?, passar det?, låt oss …
- 44 Je mening geven Jag tycker …, jag håller med / inte med.
- 45 Vergelijken en contrast bättre än, lika … som, både … och.
- 46 Relatieve bijzinnen: som Mannen som bor här, boken som jag läser.
- 47 Huis, buurt en buren lägenhet, granne, portkod, tvättstuga.
- 48 Onderweg: problemen en hulp försenat, inställd, vilse, kan du hjälpa mig?
- 49 Bij de dokter läkare, recept, feber, ont i …
- 50 In de winkel affär, pris, kvitto, retur, betala med kort.
- 51 Werk en school jobb, möte, skola, kurs, prov.
- 52 Een korte e-mail schrijven mejl, ämne, Med vänlig hälsning, bifogad.
- 53 Een verhaal vertellen berätta, i början, plötsligt, sedan, slutet.
- 54 A2.1 praktijk en herhaling Spiraal: grammatica en zinnen uit module 2A.
Module 2B: woorden
Praktijk oefeningen 2B (woorden A–Ö)
- 55 Woorden A–F Dieren, mensen, alledaags: varg, björn, följa, fråga…
- 56 Woorden G–H Kleuren, gaan/doen, begroeting, huis en hond.
- 57 Woorden I–K Tijd, eten, kleding, keuken en familie.
- 58 Woorden L–P Leren, familie, eten, park en meer.
- 59 Woorden R–S Kleuren, dieren, stad en spreektaal.
- 60 Woorden T–U Dankjewel, tijd, richting en meer.
- 61 Woorden V–Ö Vragen, seizoenen, eten en eiland.
Module 3A: thema’s
Praktijk oefeningen 3A (thema’s)
- 62 Kleuren Regenboog, vormen (röd/rött/röda) en ljus-/mörk-.
- 63 Landen en steden Europa, USA, Scandinavië; Engeland ≠ GB ≠ VK; provincies alleen NL+SE.
- 64 In en rond het huis Ruimtes, deur/raam/trap (+ meervoud), dak, veranda, vlaggenmast.
- 65 Spullen in huis Apparaten, meubels, media; keukentrapje, eettafel, bank.
- 66 Weer en verkeer Gladheid, mist, file; wegen, brug, tunnel, drempel, borden (dieper dan les 17).